Stedenbouw in het landschap. Pieter Verhagen 1882-1950
Dissertatie over de stedenbouwkundige Pieter Verhagen (1882-1950), uitgeverij NAi Publishers. Promotor: prof. dr. Auke van der Woud, Rijksuniversiteit Groningen.
>> Brochure publicatie Stedenbouw in het landschap. Pieter Verhagen (1882-1950)
>> Download artikel ISUU Seminar Delft: Urban landscape design in the Interbellum; P. Verhagen (1882-1950) - The forgotten modernity of a design approach.
>> Recensie op Architectenweb
Pieter Verhagen was een stedenbouwkundige die het liefst in de natuur was. Hij gaf vorm aan ruim honderd stads- en dorpsuitbreidingen, parken en landschappen en werd al tijdens zijn leven de nestor van de Nederlandse stedenbouw genoemd. Als kenner van het Nederlandse cultuurlandschap zag hij al vroeg de noodzaak van streekplanning. Het rapport Het toekomstig landschap der Zuiderzeepolders (1929), waarvan hij mede-auteur was, vormt het startpunt van de sterke nationale traditie in het maken van landschapsanalyses. Door de ruimtelijke opbouw van landschappen te ontleden, kreeg Verhagen de ontwerpmiddelen in handen die hij vervolgens inzette in de vele streekplannen die hij maakte. Voorbeelden zijn het streekplan voor de Utrechtse Heuvelrug (1934), het streekplan IJsselmonde (1938), het beplantingsplan voor de Noordoostpolder (1942) en het reconstructieplan voor Walcheren (1945). Opvallend is dat hij de nieuwe landschappen met daarin de verschillende ruimtelijke claims niet alleen tekende, maar ook strategieën en instrumenten bedacht om het openhouden van waardevolle stukken landschap te waarborgen. Hij typeerde de Heuvelrug als ‘hotel in het groot voor de stedelijke samenleving’ en doorzag het gevaar van een ‘exploitatieoverstroming’. Daarom stelde hij een differentiatie voor in soorten natuurgebruik, in de vorm van natuurmonumenten, natuurreservaten en natuurbanen (routes), elk met een andere gebruiksintensiteit. Dergelijke ideeën zijn nog altijd aan de orde van de dag. Na de oorlog werd zijn status als nestor van de stedenbouw bevestigd door zijn aanstelling als adviseur van het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting. In deze functie beoordeelde hij 250 wederopbouwplannen van getroffen gemeenten.
Verhagens liefde voor natuur en landschap groeide in zijn jeugd, toen hij lange wandelingen maakte in de duinen rond zijn woonplaats Beverwijk. Hij hield natuurdagboeken bij en correspondeerde met Jac. P. Thijsse over plantenvondsten. In de jaren twintig, toen Verhagen een eigen bureau in Rotterdam had, kocht hij een terrein in Rockanje dat hij omvormde tot zijn tuin ‘Carabas’. Over zijn tuinervaringen schreef hij in 1944 het klassiek geworden boek Het geluk van de tuin. Een aansporing tot het zinvol tuinieren.
Op het eerste gezicht lijkt het merkwaardig dat een man die zo verknocht was aan tuin en landschap er zijn werk van maakte om dit landschap te verstedelijken. Deze tegenstrijdigheid vormt een essentieel thema in Verhagens loopbaan. Zijn ontwerpen zijn ruimtelijke composities waarin het bestaande landschap het vertrekpunt was voor de nieuwe toevoeging. Door nieuwe woonwijken, wegen en industrieterreinen om waardevolle stukken landschap heen te plooien, gaf hij landschappen een nieuwe functie als park- en recreatiegebieden. Tegenwoordig behoren deze landschappen tot de belangrijkste groene ruimtes in steden: Het Kralingse Bos in Rotterdam, de Leidse Hout, het Bossche Broek, het stadsbos van Emmeloord.
Naar de rol van Verhagen werd tot op heden nauwelijks onderzoek gedaan, en al even weinig werd er over zijn werk gepubliceerd. De handelseditie van het proefschrift (promotor: prof. dr. Auke van der Woud, Groningen) bestaat uit zeven hoofdstukken, afgewisseld met drie projectkaternen en twee biografische beeldkaternen. Voor het bredere publiek vertelt het boek het verhaal van de verstedelijking van een plattelandssamenleving. Het biedt een rijk geïllustreerd overzicht van tientallen woonomgevingen, parken en landschappen waarin de kwaliteit tot aan vandaag opvallend constant is gebleven. Voor het vakpubliek presenteert het boek een oeuvre dat tot nu toe nagenoeg onbekend is. Verhagens aanpak en denkkader is echter nooit helemaal verdwenen uit de stedenbouwkundige traditie en beleeft de laatste jaren een revival. Het oeuvre van Verhagen laat zien dan onze nationale planningstraditie innovatie voorbeelden bevat, die van pas kunnen komen bij actuele grootschalige transformaties in zowel de steden als het buitengebied. De publicatie geeft Verhagen zijn verdiende plaats naast zijn collega’s H.P. Berlage, W.M. Dudok en C. van Eesteren.
![]() |
![]() |
![]() |
Pieter Verhagen (1882-1950) was a Dutch urbanist who represents a European design tradition which has been scarcely investigated. In his 120 designs for town and village extensions, regions and new landscapes, Verhagen did not use a ‘tabula rasa’ concept, but translated the essential values of (urban) landscapes and the European tradition of urban and landscape design in new spatial and strategic compositions. Verhagen designed the new interventions society needed as continuities, not as ruptures. Verhagen proposed solutions to the key questions of the 20th century: the phenomenon of the urban region and the rural-urban fringe. In his early years, he was deeply influenced by the book ‘Walden, or life in the woods’ (1854) by the American philosopher H.D. Thoreau. Thoreau’s central theme - the reconciliation of modern city life with nature and landscape outside - became Verhagens professional motivation.
As a botanist and walker in the Dutch man-made landscape, he early recognised the urgency of regional planning. His work forms the starting point of a strong Dutch tradition of analysing landscapes on their spatial characteristics. By doing this, Verhagen collected the design tools which he used in his regional plans. According to Verhagen, every area had its own ‘dominant motive’ of spatial development, which he solved in his designs. Examples are the wooded Utrechtse Heuvelrug with a strong settlement pressure (1934), the industrialising IJsselmonde (1938), the agricultural Noordoostpolder (reclaimed from the water, 1942) and the recreational future of the war-inundated Walcheren (1945). For these regions, he composed not only a spatial design with park systems, but also developed strategies to maintain the concept in the course of time.
This planning tradition contains another modernity than we know from the history books, which tend to focus on the realm of modern architecture. Verhagen must be placed next to colleagues like Abercrombie, Schumacher, Prost, Van der Swaelmen and May.
In 1916, Verhagen and his partner M.J. Granpré Molière set up an office for ‘architecture, urbanism and questions on housing’ in Rotterdam. In short time, the firm became famous with the designs for garden city Vreewijk and the recreation area around the Kralingse Plas, both in Rotterdam. The office attracted young talented designers like Mart Stam, Werner Moser, Hans Schmidt and J.H. van den Broek. In 1924, Molière became professor in Delft. He withdrew from the practical design work - Verhagen kept working, until his death in 1950, as an urbanist for many municipalities throughout the country. It is this oeuvre which has been recovered from different archives. Verhagen proved to be one of the ancestors of Dutch urbanism, next to Berlage, Dudok and Van Eesteren.


